Lopende projecten

De Kunst van het internet. Een onderzoek naar online handel in (il)legale cultuurgoederen
Looptijd: mei 2010 – september 2010

Betrokken medewerkers: Wouter Stol en Rutger Leukfeldt (NHL Hogeschool), Anton van Wijk, Bo Bremmers, Tom van Ham (Bureau Beke)

Opdrachtgever: Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen

De handel via internetsites speelt een toenemende rol in de internationale kunsthandel. De precieze aard en omvang van de illegale handel in Nederland is echter onduidelijk en ondoorzichtig omdat harde cijfers ontbreken. Beheerders van grote Nederlandse veilingwebsites hebben anno 2007 nauwelijks zicht op het aantal cultuurgoederen dat via hun sites wordt aangeboden en verhandeld. Daarnaast is er in Nederland überhaupt geen cijfermateriaal van het aantal gestolen of vermiste goederen aanwezig, wat het in kaart brengen van illegale handel ernstig bemoeilijkt. Betrokken en belanghebbende partijen hebben behoefte aan meer kennis over de feitelijke situatie op het gebied van illegale handel in cultuurgoederen op internet anno 2010, de ontwikkeling van het preventie en opsporingsbeleid en de te verwachten ontwikkelingen van de illegale handel van cultuurgoederen via het internet op de middellange termijn (vijf tot tien jaar).

Vanuit het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (OCenW) bestaat de wens om meer zicht te krijgen op de bedrijfstak van de handel in cultuurgoederen via internet en in welke mate en op welke wijze illegale handel hierbij voorkomt. Het verrichten van onderzoek naar deze bedrijfstak is volgens het ministerie een eerste, noodzakelijke voorwaarde om te komen tot maatregelen om illegaliteit tegen te gaan en veiligheid van cultuurgoederen te bevorderen. In essentie spitst het voorgestelde onderzoek zich toe op het beschrijven en doorgronden van de reguliere en illegale handel in cultuurgoederen/kunst/antiek via internet, het in kaart brengen van de kwetsbare plekken waarvan handelspartijen (mogelijk) gebruik maken, het evalueren van de reeds genomen maatregelen en het identificeren van nieuwe aanknopingspunten voor preventie en aanpak van de illegale handel in cultuurgoederen op internet.

Marktwerking in forensisch onderzoek. Een verkenning.
Looptijd: oktober 2009 – september 2010
Betrokken medewerkers: Bert-Jaap Koops (Universiteit van Tilburg) Wouter Stol en Rutger Leukfeldt (NHL Hogeschool), Bob Hoogenboom (Universiteit Nyenrode)
Opdrachtgever: Ministerie van Justitie (WODC)

De vraag naar forensisch-technisch onderzoek binnen de strafrechtketen is de laatste jaren sterk gestegen. Tot nu toe wordt vrijwel al het forensisch-technische onderzoek uitgevoerd door het Nederlands Forensisch Instituut (NFI). Er zijn verschillende redenen waarom de vraag is opgekomen of naast het NFI ook andere instituten een rol kunnen of moeten spelen bij het forensisch-technische onderzoek, in aanvulling op of mogelijk in concurrentie met het NFI: het recht op onafhankelijk tegenonderzoek (contra-expertise), de institutionele en financiële inbedding van het NFI als onderdeel van het Ministerie van Justitie, de opkomst van diverse alternatieve aanbieders van forensisch onderzoek en het gebrek aan prikkels in de financieringsstructuur van het NFI om zaakachterstanden weg te werken.

De doelstelling van dit onderzoek is in kaart te brengen hoe het landschap van het forensisch onderzoek in Nederland er op dit moment uitziet en hoe men aankijkt tegen verbreding van het forensisch onderzoek buiten het NFI. We beogen in kaart te brengen op welke deelterreinen binnen het forensisch-technisch onderzoek er de afgelopen jaren onderzoek is uitgevoerd, welke instituten daarbij zijn ingezet en om welke redenen, welke voorwaarden en waarborgen er in Nederland gelden of zouden moeten gelden bij de uitvoering van het forensische onderzoek, en de te verwachten effecten en mogelijke neveneffecten van verbreding. Daarbij wordt ook gekeken naar ervaringen, goede praktijkvoorbeelden en geldende waarborgen bij (toonaangevende) forensische instituten in het VK en de VS en bij aanpalende terreinen waar marktwerking is ingevoerd. Deze doelstelling is vertaald naar de volgende vraagstelling die centraal staat in het onderzoek: kunnen particuliere en universitaire/HBO-instituten een rol spelen bij het forensisch-technisch onderzoek in Nederland, en zo ja, onder welke voorwaarden?

Afhandeling van aangiften cybercrime in de strafrechtketen
Looptijd: Januari 2010 – juli 2010
Betrokken medewerkers: Marika Toutenhoofd en Sander Veenstra
Opdrachtgever: Het Openbaar Ministerie en het Programma Aanpak Cybercrime

In opdracht van het Openbaar Ministerie en het Programma Aanpak Cybercrime van vtsPN voert het lectoraat Cybersafety onderzoek uit naar de afhandeling van cybercrimezaken in de strafrechtketen. Doel van het onderzoek is om inzicht te verschafen in de wijze waarop politie, OM en de rechterijke macht cybercrimezaken afhandelen, zodanig dat zicht ontstaat op mogelijkheden tot verbetering.

Jongeren in Cyberspace: herkennen en bevorderen van cybersafety
Looptijd: september 2009 – september 2013
Betrokken medewerkers: Joyce Kerstens, Sander Veenstra en Wouter Stol
Opdrachtgever: Ministerie van OCW – Raak Pro

Jongeren maken volop gebruik van internet. Internet is dè plaats om informatie te verzamelen (Google), om te kopen en te verkopen (Marktplaats), om te spelen (Second life, Runescape) en om te communiceren (MSN, Hyves). Toch is niet alles rozengeur en maneschijn: jongeren zijn kwetsbaar op internet. Zij kunnen worden gepest (cyberbullying), misleid (oplichting, identiteitsfraude) of slachtoffer worden van een seksueel delict. Bovendien kan te veel en te vaak internetten weer leiden tot verslaving. Het probleem op dit moment is dat er te weinig kennis is over het feitelijke internetgedrag van jongeren, over de factoren die kunnen leiden tot onveilige situaties en over de effectiviteit van veiligheidsbevorderende maatregelen. Om die reden heeft het lectoraat Cybersafety een voorstel ingediend voor een vierjarig onderzoeksproject. En ons voorstel is toegekend! Hierdoor hebben we voldoende (financiële) armslag gekregen om dit uitdagende onderzoek te kunnen gaan uitvoeren. Daarnaast zal Joyce Kerstens - de projectleider - direct gekoppeld aan dit onderzoek gaan promoveren. Haar promotor is Wouter Stol, lector Cybersafety en bijzonder hoogleraar Politiestudies aan de OU.

Eerste landelijke slachtofferonderzoek cybercrime
Looptijd: september 2009 - december 2010
Betrokken medewerkers: Miranda Domenie,Rutger Leukfeldt en Wouter Stol
Opdrachtgever: Korps Landelijke Politiediensten en Programma Aanpak Cybercrime

Het lectoraat Cybersafety heeft van het KLPD opdracht gekregen het eerste landelijke slachtofferonderzoek cybercrime uit te voeren. In de periode september ’09 tot februari ’10 zullen we een test uitvoeren onder 1.000 inwoners van Nederland. In de periode maart ’10 tot juni ’10 ondervragen we nog eens 10.000 Nederlanders. Voor het onderzoek is grote belangstelling bij de politie. Er zijn op dit moment nog geen betrouwbare gegevens aanwezig over de omvang van slachtofferschap van cybercrime in Nederland. Het onderzoek wordt uitgevoerd door Miranda Domenie en Rutger Leukfeldt, onder leiding van Wouter Stol. Miranda zal op dit onderzoek tevens afstuderen aan de RuG, master ‘Sociologie van Criminaliteit en Veiligheid’. De rapportage zal eind 2010 verschijnen

Cybercrime in Nederland: de e-fraudeur. Een criminologisch perspectief
Looptijd: september 2009 – maart 2010
Betrokken medewerkers: Rutger Leukfeldt en Wouter Stol
Opdrachtgever: Programma Aanpak Cybercrime

Onbekend is of criminelen die zich met cybercrime bezighouden een nieuwe groep criminelen vormen, of dat het gaat om een groep die zich voorheen ook al met criminaliteit bezig hield en nu haar scala aan mogelijkheden heeft uitgebreid. Een belangrijke vraag is dan ook of, en in hoeverre, cybercrime een eigen criminaliteitsterrein is.

Er is volgens Van der Hulst en Neve (2008) sprake van een grote verwevenheid tussen traditionele vormen van criminaliteit en cybercrime. Klassieke misdrijven zoals fraude worden tegenwoordig met behulp van ICT uitgevoerd. Dit maakt het begrip cybercrime volgens de onderzoekers diffuus, zeker waar het de opsporing en registratie van daders betreft. Is de oplichter die zijn werkwijze heeft verlegd van de straat naar het internet ineens een cybercrimineel? Van der Hulst en Neve (2008) stellen vast dat er op dit punt nog weinig consensus bestaat en dat er nog geen onderzoek gedaan is waar daderkenmerken van ‘fysieke’ [offline] en ‘cybercrime’ empirisch met elkaar worden vergeleken.

Dit onderzoek kijkt naar de daderkenmerken van de e-fraudeur en vergelijkt deze met de klassieke fraudeur. Het onderzoek bestaat uit twee delen. Het eerste deel is hypothesetoetsend. We onderzoeken of daders van e-fraude een nieuwe groep criminelen vormen, of dat dit oplichters zijn die hun werkveld vanuit de fysieke wereld naar internet verplaatst hebben. Het tweede deel is een verkenning van mogelijke verklaringen tussen verschillen in daders van e-fraude en klassieke fraude. In dit deel kijken we of criminologische theorieën een mogelijke verklaringen kunnen geven voor het ontstaan van de nieuwe groep daders. Dit deel van het onderzoek is exploratief.

NHL.nlKennis en BedrijfLectoratenLopende projecten